Schadelokalisatie en brokstukken bij een verkeersongeval:welke bewijswaarde?

Bij discussie over de aansprakelijkheid na een verkeersongeval zijn de verklaringen van de bestuurders niet altijd voldoende. De plaats van de schade aan de voertuigen kan belangrijke aanwijzingen geven over de plaats van de botsing en het ongevalsmechanisme.

Zo kan schade aan de voorzijde van het ene voertuig tegenover schade aan de flank van het andere voertuig moeilijk verenigbaar zijn met bepaalde versies van de feiten. De schadelokalisatie moet steeds samen worden bekeken met de overige vaststellingen, zoals remsporen, de eindpositie van de voertuigen en foto’s van de plaats van het ongeval.

Ook brokstukken op de rijbaan kunnen belangrijk zijn. De Politierechtbank Antwerpen oordeelde dat kleine voertuigonderdelen die bij een botsing loskomen en ter plaatse blijven liggen, een betrouwbare aanwijzing kunnen vormen voor de plaats waar de impact heeft plaatsgevonden. Voor glasfragmenten geldt dit minder, omdat deze zich bij een botsing in verschillende richtingen kunnen verspreiden. Pol. Antwerpen 23 december 1988, Verkeersrecht 1989, 207.

Bij een betwiste aansprakelijkheid is het daarom belangrijk om niet alleen naar de verklaringen van de bestuurders te kijken. Ook de schade aan de voertuigen en de ligging van brokstukken kunnen doorslaggevende objectieve elementen zijn bij de reconstructie van een verkeersongeval.